Expertiseontwikkeling en expertisebehoud
Els BoshuizenFoto door: Chris Peeters
Wat bepaalt dat we expertise opbouwen en behouden? Deels ervaring, natuurlijk. Maar volgens Els Boshuizen, hoogleraar onderwijswetenschappen aan de Open Universiteit, is ervaring alleen niet genoeg. Sterker nog: ervaring kan ook tegen je gaan werken. Om expertise te behouden, moeten artsen hun vak vooral actief blijven benaderen.
Eén van de meest intrigerende onderzoeken waaraan ik ooit heb meegewerkt, betrof de vraag: welke informatie gebruiken ervaren artsen in de eerste momenten van een consult? En wat dat zegt over hun kennis?
In dat experiment simuleerden we de eerste momenten van een consult. Zowel ervaren huisartsen als huisartsen in opleiding kregen van een serie casus alleen de klacht van de patiënt voorgelegd. Aan een andere groep legden we voorafgaand diens groene kaart voor (kent u die nog?) en toonden vervolgens een foto.
Ervaring versus artsen in opleiding
Wat vonden we? Ten eerste, dat de ervaren huisartsen het beduidend beter deden dan de huisartsen in opleiding. Alleen op basis van de klacht kwamen hun eerste hypotheses beter overeen met de feitelijk diagnoses die bij de casus hoorden, en met de andere informatie erbij deden ze het echt véél beter.
De huisartsen in opleiding hadden nauwelijks voordeel van die informatie. Bovendien bleek dat naarmate de huisartsen langer in het vak waren, ze het beter op deze taak deden.
Dit soort van prestatieverbeteringen is grotendeels een gevolg van ervaring en impliciete leerprocessen. Daar zitten echter wel een aantal haken en ogen aan en die betreffen de volgende zaken:
- Wat is de relatie tussen ervaring en expertise?
- Wat is de kwaliteit van de impliciete kennis?
- Wat is de relatie tussen expertise en veroudering?
Meer dan ervaring
Expertise opbouwen en behouden vereist meer dan alleen ervaring. Het vergt een actieve benadering van het vak en van de kwaliteit van het werk dat men verricht. Het vergt ook het bijhouden van de laatste kennis en inzichten. Er zijn diverse aanwijzingen dat niet altijd of in alle opzichten het geval is.
Nog lastiger is het met de kwaliteit van de impliciete kennis. Hoe zeker kunnen we ervan zijn dat het impliciete, perceptuele leren tot kwalitatief goede kennis leidt? Stolper als Glas benadrukken in hun columns dat die impliciete kennis klinisch gevalideerd moet zijn, maar hoe?
Workplace learning
Onderzoekers van 'workplace learning' benaderen dit probleem met de vraag: welke kenmerken maken van deze werkplek een goede leerplek? Werkomgevingen waarin mensen snel goede informatie krijgen over de gevolgen van hun handelen, leiden tot goede kennis.
Medische werkomgevingen verschillen daarin. De eerste hulp biedt bijvoorbeeld minder informatie over de uitkomsten van het handelen dan de IC. Professionals die de mogelijkheden uitbuiten en nieuwe dingen proberen, leren meer dan degenen die er passief mee omgaan.
Omgekeerd: wat zijn de gevaren zijn van het impliciet leren van wellicht verkeerde connecties? Naarmate het werk minder goede feedback biedt en naarmate een arts diens impliciete leerproces minder expliciet controleert, vergroot de kans dat invalide kennisstructuren ontstaan. Dit kan geleidelijk tot onbewuste onbekwaamheid leiden.
Einstellungseffekt
Veroudering, ervaring en expertise zijn in onderzoek vaak moeilijk te ontrafelen. Zo lieten Eva en Cunnington zien dat zeer ervaren artsen met een leeftijd van tenminste 60 jaar meer last hadden van een Einstellungseffekt (in psychologenjargon) dan hun jongere collega’s.
Het Einstellungseffekt kan veel vormen aannemen. In essentie komt het erop neer dat een idee dat in iemands hoofd heeft postgevat, minder gemakkelijk wordt opgegeven dan je op basis van objectieve informatie verwacht.
Volgens de bevindingen van Hobus zouden die eerste hypothesen van zeer ervaren artsen beter moeten zijn. Maar Eva suggereert dat ze daar teveel aan vasthouden, ook bij contradictoire informatie.
Cognitieve veroudering
Ligt dit echt aan de leeftijd? Het kan ook met afnemende expertise te maken hebben. Binnen de geneeskunde lastig te onderzoeken. Toch vonden Bilalić en collega's bij schakers zeer sterke aanwijzingen dat hogere niveaus van expertise binnen een leeftijdsgroep beschermen tegen datzelfde Einstellungseffekt.
Hiermee is nog niets gezegd over de relatie met veroudering, maar we weten dat hetzelfde soort hersengymnastiek ook cognitieve veroudering tegengaat. Een reden temeer om daar tot de dag van je pensioen mee door te gaan.
8 juni 2010
Els Boshuizen
Curriculum Vitae Els Boshuizen
| 1979 | Onderzoeker Faculteit Medicijnen, Maastricht University |
| 1989 | Proefschrift: 'De ontwikkeling van medische expertise: Een cognitief-psychologische benadering' |
| 1989 | Universitair docent gezondheidswetenschappen, Maastricht University |
| 1993 | Universitair hoofddocent gezondheidswetenschappen, Maastricht University |
| 1999 | Universitair hoofddocent psychologie, Maastricht University |
| 2002 | Hoogleraar onderwijswetenschappen, Open Universiteit |
Volgende column
Jos Snoek neemt het stokje over. Als neuroloog en hoogleraar klinisch onderwijs te Groningen, zal hij ingaan op het verouderde brein en cognitieve prestaties.
Gerelateerd:
| Datum | Titel |
|---|
Er zijn nog geen reacties bij dit bericht. Ziet u geen reactieformulier?
Meer columns uit de portal
| Datum | Titel | |
|---|---|---|
| Beste Steven | ||
| Gezondheidszorg 'hot topic' deze zomer | ||
| Als er iets fout gaat | ||
| Misleiding toegestaan? | ||
| Nieuw elan voor geneeskundig specialisten | ||
| Petje op, petje af | ||
| Onafhankelijk kwaliteitsbeleid | ||
| Staan voor kwaliteit | ||
| 'Staatssecretaris Teeven bedreigt toegang tot GGZ' | ||
| Wat wil JIJ worden als je groot bent? |

